Het Neuteboomproject

Het Neuteboomproject is onderdeel van de Fiets3Daagse, die dit jaar haar 50e editie viert. Ook de VBT heeft iets te vieren: zij bestaat dit jaar 70 jaar. Een mooie aanleiding om het verhaal van Neuteboom en het erfgoed van Westerwolde op een leuke en eigentijdse manier tot leven te brengen.

Op bankjes op Neutebooms favoriete plekjes worden QR-codes geplaatst. Even scannen met je telefoon en je hoort een verhaal van Neuteboom, precies op de plek waar hij zelf graag kwam. Zo ontdek je Westerwolde al fietsend of wandelend op een heel nieuwe manier.

Omdat Neuteboom van 1884 tot 1896 leraar was aan de lagere school, doen ook kinderen mee. Tijdens de divertatieweken maken de oudste leerlingen kennis met Neuteboom via gastlessen over Westerwolde, haar geschiedenis en het bijzondere dialect. Daarna gaan ze op pad over de Neuteboomroute, waar ze onderweg fragmenten uit zijn verhalen kunnen beluisteren.

Het Neuteboomproject laat zien dat geschiedenis helemaal niet stoffig hoeft te zijn — je moet er gewoon even voor gaan zitten.

Om u alvast met Neuteboom kennis te laten maken is onderstaan zijn verhaal "Mijn grootmoeder" geplaatst.

Mijn grootmoeder

Over Westerwolde stroomden twai olde stromen, olle daipen werden ze nuimt, Ruiten A en Mussel A. Beide zijn stromen dai nich deur mensen groaven bint van veul ollere doatum. S’Winters en in natte zummers waren dit de ainigste woaterlopen dai aal het overtollige woater noar het noorden vervoerden om dan zo langzoamerhand in de Dollard terecht te komen.
Door dizze snel stromende olle daipen kregen die daipen wat andere richting en kregen ze kolken dei slim daip wassen. Woar dei daipen wat krap draaiden doar ontstonden draaikolken dei volgens de oln grondeloos en hail slim gevoarlek wassen. Zo wur verteld dat er in de Mussel zo’n draaikolk west was waor zo veul veen en modder zeten har dat het onmeuglek te meten west was, de ole draaikolk zol vrouger hail groot west hebben. En mien grootmoeder vertelde dat aan dizze kolk vrouger een olle boom stoan hef dai hail boven het woater hung. De schaive boom wur der tegen zegt. Men had zegt, dizze boom hung zo schaif omdat er eerder deur het op de loop goan van peerden ain rietuug tegen aan komen was en dou hals over kop in de olle draaikolk kom is. Van de man, het rietuug en de peerden had gain mens ooit wat weer zain. Dit was al wied veur tieds dat het gebeurde veurspelt worden. En nou komen wie op dei veurspelling, vrouger zeden ze dat dai luu kwoad kunt zain. De wassen mensen dei lange tied van te veuren wat konden veurspellen. Spookkieken wur der ook wol tegen zegt. En eerlek gezegd doar mout je aan leuven kunnen, ie mout joe verploatsen noar dei tied dat er gain licht, gain wegen en alles nog vrijgoud wilt en woest was en as ie sóavonds op boeten kwammen , ie niks heurden as’t gebroes van de olle gevoarleke kolke. Doar wurden vrouger zoveul dingen verteld van zulke betrouwboare mensen, dai nooit loogn of snakten, dai nich bange of driest wassen. Moar gold eerleke fatsounleke en lang gain domme luu wassen. Zodat het volk wol aannemen mussen dat wat dai mensen heurt of zain hadden op woarhaid berusten. Zo woonde der vrouger een man in de Mussel dai was mit helm op geboom wur de zegt en zuk soort mensen hadden in dai doagen mor ain moal leven. Ze luiupen s’nachts bie de weg omdat ze op herre nich wezen kunnen. Ze mussen s’nachts van het wereldgebeuren kennis neem. Ze zaggen dan wied in’t veuren, Begravenissen, Branden, Groote ongelukken en wat nich al. Zo luip dizze olle man op zekere nacht over de weg langs de gevoarleke draaikolk. Rai zag hier ain ongeluk gebeuren mit ain verdekte woagen en hierin zat ain bruidspoar. Rai kende de jonge kerel dai hier het leven verloor en het wicht kwam met de schrik vrij. Een poar nachten loater luip de man weer bie de gevoarleke kolk en hat beurde ain stem oet het woater dei zee de tied is er wol mor de man is er noch nait. De olle man kreeg nou wel deur dat wat hai zain had wol hail gauw gebeuren kon. Langs de kolk lag vrouger een diekje het Spoukdiekje geneumd. Doar hadden al meer mensen in’t woater keken en midden in de kolk ain lichtje zain branden, dei was heul enkelt een moakl zichtbaar. Moar dat was al zo laank verteld, dat men doar nait veul geleuf meer aan hechte. Praatjes wur der zegt dei olle Spoukkerei. Dou dan ook dei olle man dai mit de helm op geboren was vertelde wat hai deur zain en heurd had, sluig men doar gain geleuf aan. Hai vertelde der nich bie wel de ongelukkige jong was, dat was misschien ain geheim. Op zekere dag kwam de jonge man deur ain soamenloop van omstandigheden mit de olle man aan de proat. Dai jong wusja naargens van, hai vertelde de olle man dat hai trouwen gung en doar was hai geweldig mit ingenomen. t’Was al moal of wat overgoan, altied kwam der weer wat in de weg, man zunder ongelukken gingt nou wel deur. Moar dou zee de olle man tegen hum, dat most doe nich doun mien jong der overkomt die wat. Moar de jonge man kon zich toch niet steum aan de praatjes van dei olle man en trouwen overgeven., dei olle vertelde ja voaker van zulke biezundere dingen. De dag kwam en in ain verdekte woagen ging het noar het gemaintehoes, ze kwamen de olle man tegen en de jong had nog aan hum roupen, wie goat toch trouwen, en wat zegt ie der nou van? De olle mout in zuk zulf zegt hebben, ja dat is ain malle boudel, mor het mout ja gebeuren. Poar uur loater komt ze weerom as getrouwd poar. Ze kriegt peerd op de loop in de mUssel. Dat ging mit gloeiend geweld richting Kopstukken, bie de kolk luip de woagen aags tegen aan, ze kwamen er baide oet, het wicht bleef op de kaande liggen mor de jong kwam in’t woater, en zo hef dei het leven loaten in de gevoarleke grondeloze kolk.
De olle man had het toch zain.

Mijn grootmoeder

Door Westerwolde stroomden twee oude stromen, vroeger noemde men ze “olle daipen”: de Ruiten A en de Mussel A. Beide zijn waterlopen die niet door mensen zijn gegraven, ze bestaan al van heel lang geleden. ’s Winters en in natte zomers waren dit de enige waterwegen die al het overtollige water naar het noorden vervoerden, om uiteindelijk langzaam in de Dollard uit te komen.

Door het snel stromende water veranderden de loop van de stromen, en ontstonden er kolken die erg diep waren. Waar de stromen scherp bochten maakten, ontstonden draaikolken, die volgens de oude mensen bodemloos en heel gevaarlijk waren. Er werd verteld dat in de Mussel zo’n draaikolk was waar zoveel veen en modder in zat, dat hij onmogelijk te meten was; hij zou vroeger enorm groot geweest zijn. En mijn grootmoeder vertelde dat bij die kolk vroeger een oude boom stond, die ver over het water hing. Men noemde het de “scheve boom”. Men zei dat die boom zo scheef hing omdat er ooit een wagen met paarden tegenaan gereden was, die hals over kop in de draaikolk terechtkwam. Van de man, de wagen en de paarden had nooit iemand ooit weer iets gezien. Dit was volgens zeggen al lang van tevoren voorspeld.

En nu komen we op die voorspelling. Vroeger zeiden ze dat die mensen kwaad konden zijn, dat ze bepaalde gaven hadden. Er waren mensen die lang van tevoren dingen konden voorspellen. Men noemde dat ook wel “spookkijken”. En eerlijk gezegd, je moet er wel in kunnen geloven. Je moet je kunnen verplaatsen in die tijd, waarin geen licht was, geen wegen, en alles nog donker, leeg en woest was. En als je ’s avonds buiten kwam, je niets hoorde dan het geborrel van de oude gevaarlijke kolk. Er werden vroeger zoveel verhalen verteld door zulke betrouwbare mensen, die nooit logen of overdreven, die niet bang of dom waren, maar eerlijke, fatsoenlijke mensen. Dus moest het volk wel aannemen dat wat deze mensen zagen of hoorden op waarheid berustte.

Zo woonde er vroeger in Mussel een man die, zo zei men, met een helm op geboren was — en zulke mensen leefden in die dagen maar eens in de zoveel tijd. Ze liepen ’s nachts langs de wegen, omdat ze overdag niet konden verschijnen. Ze moesten ’s nachts kennis nemen van wat er in de wereld gebeurde. Ze zagen dan ver vooruit: begrafenissen, branden, grote ongelukken en wat niet al. Zo liep deze oude man op een nacht langs de gevaarlijke draaikolk. Daar zag hij een ongeluk gebeuren met een huifwagen, en daarin zat een bruidspaar. Hij herkende de jonge kerel die daar het leven zou verliezen, het meisje kwam er met de schrik vanaf.

Een paar nachten later liep de man weer langs de kolk, en hij hoorde een stem uit het water die zei: “De tijd is er wel, maar de man is er nog niet.” De oude man begreep nu dat wat hij gezien had wel eens heel snel kon gebeuren.

Langs de kolk lag vroeger een dijkje dat men het Spookdijkje noemde. Daar hadden al eerder mensen in het water gekeken en in het midden van de kolk een lichtje zien branden, heel klein en nauwelijks zichtbaar. Maar dat werd al zo lang verteld dat men er niet meer veel geloof aan hechtte. “Spookpraatjes”, zei men.

Toen ook de oude man, die met de helm op geboren was, vertelde wat hij gezien en gehoord had, schonk men er geen geloof aan. Hij vertelde er niet bij wie de ongelukkige jongeman was — misschien was dat wel een geheim.

Op zekere dag kwam de jonge man door omstandigheden met de oude man in gesprek. De jongeman wist van niets. Hij vertelde de oude man dat hij zou gaan trouwen, en hij was daar geweldig blij mee. Het was al vaak uitgesteld, er kwam steeds wat tussen, maar nu zou het dan toch zonder ongelukken doorgaan. Maar toen zei de oude man tegen hem: “Dat moet jij niet doen, mijn jongen, er staat je wat te wachten.”

Maar de jonge man kon zich niet laten tegenhouden door de praatjes van de oude man, die wel vaker van zulke bijzondere dingen vertelde. De dag kwam, en in een huifwagen gingen ze naar het gemeentehuis. Ze kwamen de oude man tegen, en de jongen had nog tegen hem geroepen: “We gaan trouwen! Wat zegt u daar nu van?” De oude man zou in zichzelf gezegd hebben: “Ja, dat is een vreemde bedoening, maar het moet zo zijn.”

Een paar uur later kwamen ze terug als getrouwd paar. Bij Mussel sloeg het paard op hol. Met grote snelheid gingen ze richting Kopstukken. Bij de kolk sloeg de wagen om. Ze kwamen er allebei uit. Het meisje bleef op de kant liggen, maar de jongen viel in het water — en zo heeft hij zijn leven gelaten in de gevaarlijke, bodemloze kolk.

De oude man had toch gelijk gehad.