Mijn grootmoeder
Door Westerwolde stroomden twee oude stromen, vroeger noemde men ze “olle daipen”: de Ruiten A en de Mussel A. Beide zijn waterlopen die niet door mensen zijn gegraven, ze bestaan al van heel lang geleden. ’s Winters en in natte zomers waren dit de enige waterwegen die al het overtollige water naar het noorden vervoerden, om uiteindelijk langzaam in de Dollard uit te komen.
Door het snel stromende water veranderden de loop van de stromen, en ontstonden er kolken die erg diep waren. Waar de stromen scherp bochten maakten, ontstonden draaikolken, die volgens de oude mensen bodemloos en heel gevaarlijk waren. Er werd verteld dat in de Mussel zo’n draaikolk was waar zoveel veen en modder in zat, dat hij onmogelijk te meten was; hij zou vroeger enorm groot geweest zijn. En mijn grootmoeder vertelde dat bij die kolk vroeger een oude boom stond, die ver over het water hing. Men noemde het de “scheve boom”. Men zei dat die boom zo scheef hing omdat er ooit een wagen met paarden tegenaan gereden was, die hals over kop in de draaikolk terechtkwam. Van de man, de wagen en de paarden had nooit iemand ooit weer iets gezien. Dit was volgens zeggen al lang van tevoren voorspeld.
En nu komen we op die voorspelling. Vroeger zeiden ze dat die mensen kwaad konden zijn, dat ze bepaalde gaven hadden. Er waren mensen die lang van tevoren dingen konden voorspellen. Men noemde dat ook wel “spookkijken”. En eerlijk gezegd, je moet er wel in kunnen geloven. Je moet je kunnen verplaatsen in die tijd, waarin geen licht was, geen wegen, en alles nog donker, leeg en woest was. En als je ’s avonds buiten kwam, je niets hoorde dan het geborrel van de oude gevaarlijke kolk. Er werden vroeger zoveel verhalen verteld door zulke betrouwbare mensen, die nooit logen of overdreven, die niet bang of dom waren, maar eerlijke, fatsoenlijke mensen. Dus moest het volk wel aannemen dat wat deze mensen zagen of hoorden op waarheid berustte.
Zo woonde er vroeger in Mussel een man die, zo zei men, met een helm op geboren was — en zulke mensen leefden in die dagen maar eens in de zoveel tijd. Ze liepen ’s nachts langs de wegen, omdat ze overdag niet konden verschijnen. Ze moesten ’s nachts kennis nemen van wat er in de wereld gebeurde. Ze zagen dan ver vooruit: begrafenissen, branden, grote ongelukken en wat niet al. Zo liep deze oude man op een nacht langs de gevaarlijke draaikolk. Daar zag hij een ongeluk gebeuren met een huifwagen, en daarin zat een bruidspaar. Hij herkende de jonge kerel die daar het leven zou verliezen, het meisje kwam er met de schrik vanaf.
Een paar nachten later liep de man weer langs de kolk, en hij hoorde een stem uit het water die zei: “De tijd is er wel, maar de man is er nog niet.” De oude man begreep nu dat wat hij gezien had wel eens heel snel kon gebeuren.
Langs de kolk lag vroeger een dijkje dat men het Spookdijkje noemde. Daar hadden al eerder mensen in het water gekeken en in het midden van de kolk een lichtje zien branden, heel klein en nauwelijks zichtbaar. Maar dat werd al zo lang verteld dat men er niet meer veel geloof aan hechtte. “Spookpraatjes”, zei men.
Toen ook de oude man, die met de helm op geboren was, vertelde wat hij gezien en gehoord had, schonk men er geen geloof aan. Hij vertelde er niet bij wie de ongelukkige jongeman was — misschien was dat wel een geheim.
Op zekere dag kwam de jonge man door omstandigheden met de oude man in gesprek. De jongeman wist van niets. Hij vertelde de oude man dat hij zou gaan trouwen, en hij was daar geweldig blij mee. Het was al vaak uitgesteld, er kwam steeds wat tussen, maar nu zou het dan toch zonder ongelukken doorgaan. Maar toen zei de oude man tegen hem: “Dat moet jij niet doen, mijn jongen, er staat je wat te wachten.”
Maar de jonge man kon zich niet laten tegenhouden door de praatjes van de oude man, die wel vaker van zulke bijzondere dingen vertelde. De dag kwam, en in een huifwagen gingen ze naar het gemeentehuis. Ze kwamen de oude man tegen, en de jongen had nog tegen hem geroepen: “We gaan trouwen! Wat zegt u daar nu van?” De oude man zou in zichzelf gezegd hebben: “Ja, dat is een vreemde bedoening, maar het moet zo zijn.”
Een paar uur later kwamen ze terug als getrouwd paar. Bij Mussel sloeg het paard op hol. Met grote snelheid gingen ze richting Kopstukken. Bij de kolk sloeg de wagen om. Ze kwamen er allebei uit. Het meisje bleef op de kant liggen, maar de jongen viel in het water — en zo heeft hij zijn leven gelaten in de gevaarlijke, bodemloze kolk.
De oude man had toch gelijk gehad.